Alle modellen in deze serie
| Model | Bouwjaren | cc | pk | NL-mediaan |
|---|---|---|---|---|
| R100/7 | 1976–1978 | 980 | 60 | – |
| R100RS | 1976–1992 | 980 | 70 / 60 (mono) | – |
| R100S | 1976–1980 | 980 | 65 / 70 (vanaf 1978) | – |
| R60/7 | 1976–1980 | 599 | 40 | – |
| R75/7 | 1976–1977 | 745 | 50 | – |
| R80/7 | 1977–1984 | 797 | 50–55 | – |
| R100RT | 1978–1996 | 980 | 70 / 60 (mono) | € 3.950 |
| R100T | 1978–1980 | 980 | 65 | – |
| R45 | 1978–1985 | 473 | 27 / 35 | – |
| R65 | 1978–1993 | 649 | 45–50 / 48 of 27 (mono) | – |
| R100CS | 1980–1984 | 980 | 70 | – |
| R65LS | 1981–1985 | 649 | 50 | – |
| R80RT | 1982–1995 | 797 | 50 | € 3.148 |
| R80 | 1984–1992 | 797 | 50 | – |
| R100R | 1991–1996 | 980 | 60 | € 4.950 |
| R80R | 1992–1994 | 797 | 50 | – |
NL-mediaan: mediaan vraagprijs van complete motoren op Marktplaats, alleen getoond vanaf 3 advertenties.
De geschiedenis
In 1976 verving BMW de /6-serie door de /7-generatie: R60/7, R75/7, R100/7 en de sportievere R100S en R100RS. Op de IFMA in Keulen, de Internationale Fahrrad- und Motorrad-Ausstellung, was de R100RS dat jaar de blikvanger. Volgens BMW was het de eerste motorfiets ter wereld met een volledige, aan het frame bevestigde kuip in serieproductie, ontwikkeld in de windtunnel. De R100S, bedoeld als opvolger van de R90S, verdween half in de schaduw van de RS.
Een jaar later volgde de R80/7 als opvolger van de R75/7, en in 1978 verscheen de toermotor R100RT. Op de IFMA van dat jaar presenteerde BMW ook de kleine R45 en R65. In 1980 kwam de R100CS, en in 1982 de eerste R80RT.
Het grote keerpunt kwam in 1984. BMW bouwde de eerste monolever in 1980 in de R80 G/S, zie de GS-airheads, en zette die in 1984 ook op de wegmodellen: de nieuwe R80 en R80RT. Tegelijk stopte de productie van de grote boxers eind 1984 tijdelijk ten gunste van de driecilinder K75 en viercilinder K100. Voor het afscheid bracht BMW in 1984 nog de R100RS Classic 500 uit, gelimiteerd op 500 stuks.
De vraag naar grote boxers bleef echter bestaan, vooral in de Verenigde Staten en Japan. Op de IFMA van 1986 toonde BMW opnieuw een R100RS, nu met monolever. Die was bedoeld als beperkte serie van 1.000 stuks, maar bleef door de vraag tot 1992 in productie. In 1987 volgde de monolever-R100RT, die tot 1996 doorliep. In 1991 kwam de R100R, een roadster met Paralever-achterbrug uit de GS, en in 1992 de R80R.
In 1994–1996 volgden afscheidsvarianten: R100R Classic en Mystic, en een R100RT Classic. In 1996 eindigde de serie. De oilheads hadden dan al een paar jaar het stokje overgenomen.
Techniek van deze generatie
Alle modellen hebben een luchtgekoelde tweecilinder boxer met stoterstangen (ohv) en twee kleppen per cilinder, vandaar de term tweekleppers. De nokkenas wordt door een ketting aangedreven. De aandrijving loopt via een koppeling en vijfversnellingsbak naar een cardanas. De cilinderinhouden lopen uiteen: 473 cc (R45), 599 cc (R60/7), 649 cc (R65), 745 cc (R75/7), 797 cc (R80) en 980 cc (R100). Standaard op de R100S, RS en RT zit vanaf 1978 een oliekoeler.
De motor ontwikkelde zich in kleine stappen. Tot 1980/81 werkte de ontsteking met contactpunten, daarna nam een Hall-sensor het over; bronnen noemen modeljaar 1980 of 1981, waarschijnlijk 1981. Vanaf de modellen van september 1980 kregen de 800 en 1000 Nikasil-cilinders. De voorrem veranderde van een ATE-zwenkzadel in een Brembo-zadel met vaste klauw vanaf 1981. Bij de RS en RT zat vanaf 1978 een achterschijfrem; in 1985 of 1986 (bronnen verschillen) keerde de trommel terug.
Twinshock
De twinshock is de klassieke opzet: een tweezijdige achterbrug met twee veerpoten, met de cardanas in de rechter brug. Zo zijn de oorspronkelijke /7’s, de R100RS en RT tot 1984 en de R80RT tot 1984 gebouwd. Het onderhoud is eenvoudig en de eindaandrijving relatief goedkoop te herstellen.
Monolever
Bij de monolever hangt het achterwiel aan één zijde aan een schommel; de cardan zit in de schommel zelf en er is één veerpoot. De eerste serie-BMW met deze constructie was de R80 G/S uit 1980. Het frame van de R80 uit 1984 komt van de G/S; vork en voorrem komen van de K-serie. Een monolever-aandrijving oogt strak, maar bij lagerslijtage is de reparatie duurder dan bij een twinshock.
Paralever
De Paralever is een monolever met een extra momentstang, bedoeld om het opveren van het achterwerk bij gas geven (cardan-reactie) tegen te gaan. Die kwam in 1987 op de R80GS en R100GS, en in 1991 en 1992 op de roadsters R100R en R80R.
Klepzittingen en loodvrije benzine
Dit is een van de bekendste thema’s rond airheads. Gietijzeren zittingen van vóór 1980 slijten zonder lood. Het materiaal van 1980/81 gaf vooral bij de R100 problemen, en 1981 tot 1984 zijn de risicojaren. De Duitse Wikipedia noemt geharde uitlaatzittingen vanaf december 1984; Snowbum noemt 1985 en later. Een Duits koopadvies van rond 1996 meldt dat modellen van vóór de R80GS bij regelmatige klepcontrole zelden meer dan 50.000 km haalden zonder zittingwerk. Er is dus geen scherp omslagpunt per chassisnummer. De R100 is het zwaarst getroffen, de R80 minder, de R65 het minst.
De modellen
De familie valt grofweg in vier groepen. De kleine modellen zijn de R45 en R65, met in 1978 de eerste generatie en vanaf 1985 de monolever-R65. De R45 bestond met 27 of 35 pk; de 27 pk-versie paste in een gunstige verzekeringsklasse. In het middensegment staan de R60/7, de R80/7, de monolever-R80 en de R80RT. De R60/7 ging in 1976 van start, maar werd gaandeweg door de R80/7 verdrongen. De R75/7 liep slechts twee jaar.
De grote modellen zijn het hart van de gids. De ongekuipte R100/7 was met zijn 215 kg een van de lichtste 1000cc-motoren van zijn tijd. De R100S was de sportieve variant met stuurkuipje; hij werd in 1976 voorgesteld en ging in 1978 van 65 naar 70 pk. De R100CS (1980–1984) borduurt daarop voort. De R100RS is de bekendste. Er bestaan twee generaties: de twinshock (1976–1984, 70 pk) en de monolever (1986–1992, 60 pk). Hetzelfde geldt voor de toermotor R100RT: twinshock van 1978 tot 1984, monolever van 1987 tot 1996. Verder bouwde BMW de R100T, een ongekuipte toerder, en tot 1984 een R100 zonder letter.
De roadsters sluiten de rij: R100R (1991–1996) en R80R (1992–1994). Ze hebben het GS-onderstel met Paralever, een klassiek ogende tank en een naakte stijl. De R80R werd mede op verzoek van exportmarkten gebouwd. Bronnen verschillen over het precieze einde van de R80R (1994 of 1996).
Kopen en bezitten: tips
Begin met de vraag hoe je de motor wilt gebruiken. De R100RS is een snelle snelwegmotor; de RT en R80RT zijn gemaakt voor bagage en lange dagen. De roadsters zijn praktisch en handelen sportief. Kijk bij de keuze tussen generaties ook naar het onderhoud: een twinshock heeft een eenvoudiger achterkant, bij een monolever is de eindaandrijving duurder te herstellen. De meeste monolever-modellen zijn wel jonger dan de risicojaren voor de klepzittingen.
Controleer bij elke kandidaat het frame- en motornummer en vraag naar het serviceboekje. Omdat motoren en onderstellen binnen de familie onderling compatibel zijn, komen ombouwen voor; wees dus kritisch bij gewijzigde vermogens en vreemde combinaties. Vraag wanneer de klepspeling voor het laatst is gesteld en of de koppen zijn gereviseerd. Kijk naar olielekkage bij de flens tussen motor en bak, naar de staat van de rubbers na lange stilstand en naar de speling aan het achterwiel. Een proefrit hoort erbij: let op trillingen in de vijfde versnelling, geluid uit de aandrijving en een stabiele spanning bij het grootlicht.
Voor de actuele marktwaarde van elk model: zie het marktblok op de modelpagina’s of de marktwaardepagina.
Zwakke punten
- aandacht: hoogKlepzittingen en loodvrije benzineVoor 1980 zaten er gietijzeren zittingen in die zonder lood slijten. Het nieuwe zittingmateriaal van 1980/81 gaf vooral bij de R100 problemen: de klep vervormt en zakt in de zitting. Modellen van 1981 tot en met 1984 gelden als risicojaren. Eerste symptoom is een klepspeling die snel dichtloopt, vooral aan de uitlaatzijde. Bronnen zijn het niet eens over het precieze omslagpunt naar geharde zittingen (eind 1984 of 1985): vraag dus of de koppen zijn gereviseerd. bron
- aandacht: middelAchterste krukaspakking (simmerring)Koppelingsstof is schurend en vreet de simmerring achter de krukas langzaam weg. Je ziet olie bij de flens tussen motorblok en versnellingsbak, in de ergste vorm gevolgd door een slippende koppeling. De vervanging vraagt dat de bak eraf gaat. bron
- aandacht: middelTimingketting en spannerTot 1979 zat er een duplexketting in, daarna een simplexketting. Slijtage en een falende spanner kondigen zich aan met geratel bij stationair toerental of metaalschilfers in het oliefilter. Laat de ketting nakijken als de historie ontbreekt. bron
- aandacht: middelDiodebordHet diodebord faalt meestal door losgekomen soldeerverbindingen van de zes vermogensdiodes, vaker bij gekuipte modellen en R100's door de extra warmte. Een spanning die flink wegzakt zodra je het grootlicht aanzet, is het herkenningspunt. bron
- aandacht: middelSpieën van de ingaande asDe spieën van de ingaande as van de versnellingsbak moeten periodiek gesmeerd worden. Lopen ze droog, dan roesten ze en kunnen ze uiteindelijk afslijten. De eenmalige koppeling van modeljaar 1981 stond bovendien bekend als zwak. Vraag naar het smeerschema en naar bewijs dat het gedaan is. bron
- aandacht: middelSnowflake-gietwielen (1978 en later)Bij de eerste gietwielen van de grote modellen kwamen spaakbreuken aan het voorwiel voor. BMW verving ze door een versterkte uitvoering; volgens Snowbum betrof die terughaalactie alleen de 19-inch maat. Controleer of er een versterkt wiel onder zit en zoek naar scheurtjes. bron
- aandacht: middelEindaandrijving en cardan (monolever en Paralever)Volgens Snowbum waren enkele monolever-eindaandrijvingen uit 1983–1987 niet correct gemaakt en vielen ze vroeg uit; lagerslijtage is er duurder te herstellen dan bij twinshock. Bij de Paralever-modellen (R100R, R80R) versnelt de scherpe hoek van de kruiskoppelingen de slijtage. Test de speling aan het achterwiel en let op geluid en trillingen. bron
- aandacht: laagCarburateurs en synchronisatieDe Bing-CV-carburateurs hebben membranen die na verloop van tijd vervangen moeten worden; verder zijn naaldslijtage, vlotternaaldjes en O-ringen terugkerende punten. Een verkeerd afgestelde gaskabelverdeler brengt de synchronisatie telkens weer in de war. bron
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen twinshock, monolever en Paralever?
Twinshock betekent twee veerpoten en een tweezijdige achterbrug. Bij de monolever (op de wegmodellen vanaf 1984) zit het achterwiel aan één zijde aan een enkelzijdige schommel met één veerpoot. De Paralever (op de roadsters R100R en R80R) is een monolever met een extra momentstang die het opveren van de achterkant bij gas geven tegengaat.
Wanneer eindigde de productie van de airheads?
In 1996. De R100R en R100RT stopten dat jaar, en volgens BMW Classic liep de laatste R80GS Basic in december 1996 van de band. Daarmee eindigde de tweekleppige boxer. Bronnen noemen soms 1995, maar 1996 is het jaar dat BMW zelf hanteert.
Kan een airhead op loodvrije benzine?
Dat hangt van het bouwjaar en de staat van de koppen af. Gietijzeren zittingen van vóór 1980 slijten zonder lood, de zittingen van 1981 tot 1984 gelden als risicovol, en vanaf eind 1984 of 1985 zijn er geharde zittingen. Niet alle bronnen onderschrijven dat dit het probleem volledig oplost, dus controleer de klepspeling regelmatig.
Wat betekenen RS en RT?
RS stond oorspronkelijk voor Rennsport, maar werd al snel Reisesport genoemd (toersport). RT staat voor Reisetourer. De RS was de sportief-snelle motor met kuip, de RT de grote toerder met een hogere ruit, bagagerek en koffersteunen.
Welke airhead past bij mij?
Wil je snel en gekuipt, dan zoek je een R100RS. Voor lange afstanden met bagage is een RT of R80RT logischer. Een ongekuipte /7 of R100S is de pure klassieker, en de R100R en R80R zijn roadsters met de nieuwere Paralever-achterkant. Bekijk bij elk model de pagina met zwakke punten en de actuele marktwaarde.
Kopen of verkopen?
Wil je een motor uit deze serie verkopen of zoek je er een? De Boxerschuur volgt het aanbod in Nederland en Duitsland dagelijks.
Motor verkopen Laten zoeken